Het authentieke ‘aole’ kerkhof
door Gerard Steenhuis, april 2012
Op 23 juni 2012 is de heropening van het ‘aole’ kerkhof van Bargercompascuum.
De benaming kerkhof is feitelijk onjuist. De kerk, die bij dit hof hoort is allang
afgebroken. Een andere kerk is aan het kanaal gebouwd. Toch heet deze
dodenakker het ‘aole’ kerkhof of ‘bovenveenkerkhof’. Vanaf het nieuwe kerkhof
op dalgrond- is een verbinding gemaakt en het er tussen in liggend gebied
ingericht als park. Vanaf dat moment is dit authentieke hoogveenkerkhof, dat zo
verbonden is met de geschiedenis van de streek en zijn bewoners, weer voor
iedereen toegankelijk.
Geschiedenis vanaf de middeleeuwen
Het gebied ten oosten van Emmen behoort eeuwenlang tot het Bourtanger Moeras.
Dit moeras strekt zich uit van de Drentse Hondrug in het westen tot de zandboorden van de oevers van de rivier de Ems (Duitsland) in het
oosten en van de Grafschaft Bentheim in het zuiden tot het Ems-Dollard-gebied in het noorden. Centraal in dit moeras ligt het gebied Barger-
Compascuum, dat voor 1890 de naam ‘Compascuum’ draagt. Het is moerasgebied, water en land tegelijk. Maar te nat om op te leven en bij
plekken te weinig diep om te bevaren. Op oude kaarten staat ‘zomers passabel’.Vogels, eenden en kievieten hebben het in beslag genomen.
De streek is eigendom van de boeren van de zanddorpen Noord- en Zuid
Barge. Zij hebben het gezamenlijk als markegebied in bezit. Hier graven
zij hun huisbrandturf, winnen hout voor de bouw van huizen en schuren
en steken heideplaggen om de schapenstal van bodem te voorzien. In de
zomer bezoekt de scheper met zijn schaapskudde de hogere en drogere
gebieden, rond het riviertje de Runde en het Zwarte Meer en laat er zijn
beesten grazen.
Ook de boeren van de Duitse zanddorpen Nieder- en Oberlangen, Haren,
Wesuwe en Versen maken tijdens de zomermaanden gebruik van de
streek. Vanuit het oosten laten zij hun kudde schapen hier grazen. Het
grensgebied is uitgestrekt, dunbevolkt en er is plaats voor iedereen,
eeuwenlang.
Het hoogveenkerkhof in Bargercompascuum, kort na de Tweede
Wereldoorlog (bron; gemeentelijk archief)
Overbevolking in het Emsland
In de zeventiende en achttiende eeuw is er vanuit het oosten beweging. Het Duitse land raakt overbevolkt. Veel gezinnen emigreren naar
Amerika. De bisschop van Munster laat bewoning toe aan de Duitse randen van het Bourtanger Moeras. In de loop der jaren zijn dammen en
dijken afgebroken en geslecht. Het moeras laat zijn water los, de bodem is toegankelijk en maakt bewoning mogelijk.
Zo ontstaan vanaf 1788 de nederzettingen Rütenbrock, Lindloh, Zwartenberg, Hebelermeer en Twist. Hier vestigen zich boeren, die in het
voorjaar het bovenveen afbranden en boekweit verbouwen. Het land laat hooguit 6-8 jaren deze brandcultuur toe, dan is het ‘opgebrand’ en
moet de boer op zoek naar nieuw land. Het Nederlandse deel van het Bourtanger moeras kent nog maagdelijke veengebieden en al kort na
1800 huren boekweitboeren uit het Duitse grensgebied veengebieden van de markegenoten van Noord- en Zuid Barge (Dijck, 1969).
De bevolking in de Duitse grensdorpen blijft groeien- inmiddels behoort het tot het koninkrijk Hannover. In 1866 wint de Duitse staat Pruisen
onder leiding van Bismarck de slag bij Langensalza en wordt Hannover deel van Pruisen. Jongens moeten voortaan drie jaar in militaire dienst.
In 1870 is Pruisen in oorlog met Frankrijk. Mannen uit het naburige Emsland weigeren dienst en vluchten de grens over. Velen zijn al bekend
in het gebied rond het Zwarte Meer en de hieruit ontspringende rivier de Runde. Vanaf ongeveer 1860 vestigen de eerste Duitse ‘pioniers’ zich
op de hogere en drogere boorden van de Runde.
Compascuum bevolkt
Het Compascuum wordt bevolkt. Het merendeel is boekweitboer, Duits, katholiek en woont in een plaggenhut. Op dat moment bieden de
boeren van Noord- en Zuid Barge hun markegebied te koop aan. De nieuwe eigenaren zijn vier vermogende Drentse ondernemers, die
uiteindelijk het veen willen afgraven en als turf verkopen. Tegelijkertijd is het verbod op het bouwen van woningen met een ‘stookplaats’
opgeheven (Bok, 2011 en Visscher, 1940).
Ook wordt de Nederlandse grensstreek, direct grenzend aan Duitsland, vanaf 1875 bewoond. Bij de verkoop van het ‘Compascuum’ doen
Duitse boeren een beroep op hun -al uit de middeleeuwen stammende -weiderechten. De Nederlandse Staat erkent hun rechten en de nieuwe
eigenaren moeten een deel van hun gebied afstaan aan de Hannoveranen. Vele gezinnen uit Hebelermeer, Zwartenberg en andere Duitse
dorpen vestigen zich in dit Nederlands gebied ‘Achter de Breede Sloot’, pal aan de grens.
Compascuum wordt bewoond. Aan de Schoolweg, het pad dat van
Zwartemeer naar Emmercompascuum loopt over de oostoever van de
Runde, komt in 1868 een schooltje. Het staat aan de kruising met de
latere Postweg. Er vormt zich een centrum. De ondernemer Jan Berend
Wilken, afkomstig uit Hebelermeer bouwt hier zijn boerderij met café en
winkel. In de buurt is ook een molen.
Foto uit de vijftiger jaren van de schuur die in de jaren 1873 en 1874
dienst doet als noodkerk. De schuur is gerestaureerd en maakt deel
uit van het Veenpark. Het houten gebouwtje staat bij binnenkomst van
het dorp vanuit Nieuw Dordrecht links op het bovenveen, verschuilt
onder de bomen. Tijdens de nachtelijke uren brandt het kruis op het
dak (foto; 125 jaar St. Josephparochie Barger-Compascuum)
1/2
Ga naar de volgende pagina