14. Het huis hier ten noorden van staat op grond van Harm Hoiting en wordt bewoond door weduwe Sientje Schooneville-van Ommen. Sientje
van Ommen trouwt naderhand met Jan Tieme van der Velde. Later woont zoon Peter Schooneville met Zusse Stuiver hier. De huizen staan
uitzonderlijk buitenaf. Dit heeft in de oorlogstijd zo zijn voordeel. De mensen willen vertier en vooral jonge mensen zoeken elkaar op. Na acht
uur geldt de avondklok en de landwacht controleert de buurt op naleving ervan. Bij Schooneville in de schuur wordt regelmatig ’s avonds
dansen georganiseerd. Een persoon houdt de wacht en kan de gehele buurt en het enige toegangspad overzien. Nog voordat de landwacht
binnen is, zijn de feestgangers al vertrokken.
Ten noorden van dit huis staat de landbouwschuur van Harm Hoiting, de eigenaar van de grond. De zijwijk draagt zijn naam ‘Hoiting’s
wiekie’. Over de grond van Hoiting loopt het doorgaand pad, dat van de Oude Zwarteweg afkomstig is, over de dam gaat en zijn weg vervolgt
in de richting van het brughuis en verder naar de grens.
Twee huizen staan ten noordenoosten van de dam.
Fransina Visser (1885 Nw Weerdinge-
1919 Weerdinge) en Aalderik Lindeman
(1885 Vlagwedde-1968 Enschede). De
foto’s komen uit het bestand van Hans
Snippe
15. In het eerste huis woont opa Aalderik
Lindeman en oma Fransina Visser.
Samen hebben ze vier kinderen, onder
wie Fillipus Lindeman (zie 11.). Dan
hertrouwt Aalderik Lindeman met
Wemeltje Barends, die van zichzelf drie
kinderen heeft. Samen krijgen ze nog tien
kinderen. Ook woont hier Willem van
Oosten met vier kinderen. Dochter Wija
trouwt met Albert de Graaf. Zij wonen
naderhand in bij oma Ebelina de Graaf-
de Vries (zie 5.). De Van Oosten’s zijn
verwant met de familie Gort van het
Verlengde Oosterdiep oz 184, zie
http://www.achterdebreedesloot.nl/vonderpad_zwartemeer_p8.htm
In dit huis woont later Bruin Knol met Joppie Strijker, Jacob Rink met Trientje
Lindeman, Marten Bloemberg, teruggekomen uit Neede, Gelderland, met Fenna
Röttgers en Lammert Kuiper met Antje Alkema.
16. Dan zijn we aangekomen ter hoogte van de huidige straat Zwet (toponiem voor sloot, grens). Eerst moet men een zijwijk met vonder over
om bij het huis te komen. In dit huis wonen Roelof de Graaf en Hendrikje de Graaf, oom en tante van Grietje en Albert Knorren. Naderhand
Willem Veringa, zoon van Piet Veringa, met Luchie
Bruinsma. De wijk heet ‘Veringa’s wieke’. Later huist hier
Geert Gringhuis. Er wordt gezegd dat hij varkens bij zich in
het huis heeft. Volgens Albert Knorren heeft Hendrik van
der Velde, broer van Willem van der Velde nog hier
gewoond en later pas Geert Gringhuis.
Tot zover de huizen aan de Westra’s wijk.
De kinderen van Albert de Graaf en Ebelina de Vries.
Vlnr, staand; Albert de Graaf jr, Wija de Graaf-van
Oosten, Ebelina Knorren-de Graaf, Jacoba de Graaf-de
Ruiter en Roelof de Graaf. Zittend; Henderika de Graaf-
de Graaf, Jentien Pol-de Graaf en Maria Kromkamp-de
Graaf (foto; Ron de Graaf)
Boodschappen
Volgens Albert Knorren gingen de kinderen naar de ‘School
met den Bijbel’ de Prinses Marijkeschool, naast het witte
hervormde kerkje in Klazienaveen aan de Langestraat. De
familie ging niet te kerk. Behalve oma de Graaf. Zij bezocht de hervormde kerk. De eerste jaren ging Grietje Knorren ook mee. Ze haalden de
boodschappen bij Nieland in Klazienaveen in het voormalige pand van Egbrink. Willem Huizing van het Scholtenskanaal was hun bakker en
Tichelaar de man, die het brood thuis bracht. Melk kreeg de familie eerst van Berend Lübbers van de Dordsedijk, maar na de indeling in
melkwijken van Kees Hof uit Zwartemeer. Hof kwam met de melkbus aan de fiets tot aan Hofkamp, de bewoner van het brugwachtershuis bij
het begin van de Westra’s wijk, tegenover de directeurswoning. Een houten draaibrug ligt hier over het Van Echtenskanaal. Hof kon
(uitzonderlijk) bij slecht weer niet verder, daarvoor was het pad langs de wijk te slecht. Bij Hofkamp werd de kan gevuld. Ook Sientje
Lindeman bezoekt de christelijke lagere school. Veel kinderen van de Kloostermanswijk gaan naar de witte houten openbare school, zegt ze.
Karperkweek
In de achterwijk schuin achter de huizen van Knorren en De Graaf heeft de lokale visvereniging karper uitgezet. Een klein deel van de
‘karperwieke’ is hiervoor in gebruik en een net, dwars door het kanaal, zorgt ervoor dat de vissen niet het volle water in kunnen. Als het aantal
karpers na enige tijd is toegenomen wordt het net verwijderd. Het is daarom niet vreemd dat vissers in de jaren vijftig in de wijken rondom de
Westra’s wijk veel en joekels van karpers weten te vangen, soms van wel 18 pond.
Stuw in de wijk
Het zuidelijke deel van de Westra’s wijk heeft hoog water en het aangrenzende land is nat. In de tijd dat het veengraven al gebeurd is wordt
jaarlijks in het voorjaar een stuw geplaatst net ten noorden van de fabriek en de stuw bij de dam, verder noordelijker, geopend. Hierdoor zakt
het water tussen de stuw en de dam. Het grondwater van de belendende akkers zakt, de bovengrond is droger en hiermee beter geschikt om
gewassen op te verbouwen. Als het oogstseizoen geweest is wordt in de herfst de stuw weer verwijderd zodat eventuele scheepvaart er door
kan.
Eerst gemengd, later akkerbouw
Opvallend is dat de boerenbedrijven aan de Zuidervaart en Verlengde Oosterdiep, die het land hebben tot aan de Westra’s wijk, allen begonnen
zijn zo rond 1935 als gemengde bedrijven. Ze houden vee; koeien en doen aan akkerbouw, met name aardappelteelt. Nog voor 1970 zijn de
gemengde bedrijven veranderd in akkerbouwbedrijven. Het vee is weggedaan. Waarom deze switch ?
Na het afgraven van het veen wordt het land ontgonnen, bouwrijp gemaakt. Daartoe dient een goede bouwvoor van ongeveer een vijftien
centimeter. Deze ontstaat als zand (van onder het veen en uit de wijken) vermengd wordt met de opzijgelegde bolsterlaag en aangemaakt
wordt met voldoende organische stalmest en- of stadsdrek. Dit mengsel vormt een vruchtbare bodem om akkerbouw op te bedrijven. Stalmest,
geproduceerd door de ‘beesten’ is daartoe onontbeerlijk.
De situatie is eind jaren zestig anders. Kunstmest vervangt de stalmest. Er is geen aanleiding meer om koeien te houden. Hier zijn de boeren
niet rouwig om. Veeteelt is zeer arbeidsintensief. Twee keer melken per dag, zeven dagen van de week, ook in het weekend en tijdens de
feestdagen. De boer met zijn gezin moet zich volledig inrichten naar het ‘hebben van koeien’. Zelfs ’s nachts waken bij een kalvende koe. Dit
is voor veel boeren de reden geweest om te stoppen met vee en zich te gaan specialiseren in akkerbouw. Dalgrond is door gebruik van
kunstmest uitermate geschikt voor de teelt van aardappelen, suikerbieten en graan. De opbrengsten en verdiensten zijn goed en de boer houdt
meer vrije tijd over.
En zo gebeurde het dat Germs, de beide broers Scholte Albers, dito Hoving en Hoiting slechts in de beginjaren koeien hebben maar zich al
gauw toeleggen op pure akkerbouw. Hans Snippe werkt vanaf 1950 een viertal jaren bij Anne en zijn zoon Germ Germs. De tijd van de koeien
heeft hij volop meegemaakt ‘Ook op zondag moest ik melken’. Na zijn diensttijd wordt hij in 1956 medewerker bij de gebroeders Geert en
Henk Scholte Albers. Op beide boerderijen heeft hij gewerkt. Doordat de boeren stoppen met vee en de mechanisatie in de landbouw zijn
minder banen in het boerenbedrijf. Vanaf 1968 is Hans werknemer bij de Akzo in Emmen.
8/13
Ga naar de volgende pagina