Nederlandse zinken centen uit de oorlogstijd (foto; GS) Eigen jongens duiken onder Meerdere gezinnen hebben onderduikers. ‘Heel de Berkenrode zat vol onderduikers’ hoor ik. Veel jongens die niet in Duitse dienst willen of jongens die niet in Duitsland tewerkgesteld willen worden, verstoppen zich in het veld. In 1943 wordt de lichting van 1924 opgeroepen om te werken in Hamburg. Op het eind van de oorlog roepen de Duitsers alle Nederlandse mannen en jongens boven de 16 jaar op. Ze moeten op ‘Arbeidseinsatz’. Alle Duitse mannen dienen in het leger en de Nederlanders moeten aan het werk in de oorlogsindustrie.  Er zijn razzia’s. Soms is een turfbult uitgehold en bivakkeren ze daar. ’s Nachts gaan ze terug naar hun ouderlijke huis en slapen op hun eigen bed. Hendrik Kuhl (1927, Verlengde Oosterdiep wz 52), Hendrik Robben (1928, Postweg 22, de afgebroken bovenveenwoning dichtbij het oude kerkhof) en Sjoukje Zwart-Duinkerken (1931, Verlengde Oosterdiep wz 91) vertellen deze verhalen. Anderen werken bij een boer in Duitsland om zo niet opgepakt te worden. Ook ‘Bakkers’ Hinnek Schulte (zoon van Bakkers Berend en broer van Bakkers Jan), Wietze Peter en Hannes Hartmann zijn ondergedoken. Zij hebben een plek gevonden in de barak van Harm Hartmann in de Berkenrode. Zoon Benne (1940) kan hierover vertellen. Hinnek en Hannes zijn Hamburg ontvlucht op het moment dat de stad gebombardeerd wordt. Per trein zijn de jongens aangekomen in Meppen en van hieruit te voet naar Barger-Compascuum gegaan. In het veld bij de Steenhuiswijk, tussen het Oosterdiep en de Runde, bivakkeren vier jongens. Het zijn Sip Bruinsma, woonachtig in het brughuis bij de Springersbrug op Verlengde Oosterdiep wz 17, Wiecher Kuipers van wz 23, Albert Hendriks, van het brughuis van de Steenhuiswijk (oz 18) en de Emmer-Compascumer Wouter Tromp. Hendrik Kuhl werkt op dat moment voor vervener Meijer op plaats 18 en kent het verhaal. Joodse onderduikers Bekend is dat op enkele plaatsen ook joodse onderduikers zitten. Ten tijde van de oorlog woont het echtpaar Jan ‘Geert’ Suelmann en Maria Aleida Nieters op Berkenrode 25. Dit is in die tijd het eerste huis ten zuiden van de Postweg aan de Westra’s wieke en de ouderlijke woning van Leida Nieters. Geert Suelmann is beter bekend onder zijn bijnaam ‘Rooie Geert’ genoemd naar zijn roodkleurige haardos. De woning staat op het bovenveen. Bij het huis is een turfbult opgestapeld zodanig dat het hol is en er mensen in kunnen schuilen. Drie onderduikers zitten hier. Het zijn Hendrik Bürmann, neef van de familie Suelmann en het joodse echtpaar Bennie en Resie Samson. Hendrik en zijn broer Frans Bürmann zijn officieel Duitsers. Zij moeten zich melden bij de Wehrmacht om voor de Duitser als soldaat te dienen. Na hun opleiding weten beide jongens te ontkomen en duiken onder. Franz Bürmann heeft geen vaste verblijfplaats. Hij is veel bij familie in Barger-Oosterveld of bevindt zich ergens in het veld. Hendrik daarentegen is ondergedoken bij de familie Suelmann, zoals hiervoor beschreven. Bennie Samson is rabbie en moet zich aan de Joodse tradities houden. Zo moet hij en zijn vrouw elke dag op gezette tijden in gebed. Vader Geert Suelmann wijst hen waar het oosten is. Het eten is op de bon, maar de drie onderduikers hoeven niet te verhongeren. De familie Suelmann slacht clandistien, heeft een grote tuin, kippen voor eieren, koeien voor melk en buurman bakker Kliphuis brengt het brood. Zoon Henk Kliphuis dacht weleens ‘wat moeten zij veel brood’ maar hij zei maar niets immers hij verdiende eraan. Dit vertelt hij mij later.  Moeder Suelmann fungeert als boodschapper tussen Bennie en Resie Samson (15) en hun joodse familie, ergens op zand-Drenthe. Zij fietst veel heen en weer. Na de oorlog krijgt ze een onderscheiding van de Anjerstichting. Bürmann en het echtpaar Samson zijn oplettend en brengen de familie Suelmann niet in gevaar. Twee en een half jaar houden ze zich verstopt in de bult. Vrijwilligers bouwen in het voorjaar van 2010 een replica van de bult bij ‘Rooie Geert’ in het Veenpark De Maatschappij heet vanaf 1938 de Berkenrode (foto; GS) Berkenrode Geheel anders is het op het tweede joodse onderduikersadres. Aan de andere kant van de Postweg loopt de Berkenrode in noordelijke richting. In die tijd woont op Berkenrode 14 de familie Hermann Heinrich Arling met bijnaam ‘dansmeester’ of ook ‘Grote’ Harm Arling en Johanna Peters. Ze hebben een boerenbedrijf. Het huis staat aan de Berkenrode oz, hun akkers liggen in de richting van de Runde. De kavels zijn niet te diep, hooguit een vijfhonderd meter. Op ongeveer een honderd meter vanaf de Runde staat op tien meter afstand van de scheiding met buurman ‘Tarwe’ Geert Arling op het bovenveen een turfbult. Vanaf de sloot loopt een onderaardse gang naar het binnenste van de bult. Volgens Benne Hartmann is de turfbult met een laag roodbruine oeraarde ‘aske’ toegedekt. De bult is hol en geeft onderdak aan vier joodse mannen. Het zijn vader Izaak Grobfeld en de zonen Leo, Jacob en Joele. Soms wordt de naam geschreven als Krobfeld of Kropveld. Overdag zitten ze in de bult en ’s avonds bij de familie Arling of buren ergens in huis. Iedereen houdt zich aan de gedragscode. Iedereen, behalve Joele. Hij kan de rust niet opbrengen om overdag in de bult te blijven. Hij gaat naar buiten en zwerft door de buurt. Hij wordt gezien in Roswinkel en in Emmer-Compascuum. Om toch iets te doen overdag snijdt hij takkenbossen die de bakkers gebruiken om hun ovens te verwarmen. Harm Arling verzorgt de vier verstekelingen. Vader Izaak vraagt hem Joele neer te schieten. Joele is zeer onvoorzichtig en brengt zichzelf, zijn medeonderduikers en de eigenaar van het schuiladres in gevaar. Arling is jager en beschikt over een geweer. Hij schiet Joele niet neer maar geeft hem wel op zijn donder. Zuidelijk van Arling heeft de familie Harm Hartmann een schuur. Hartmann houdt in het bos achter deze schuur een aantal varkens verstopt onder een grote bult stro. Izaak Grobfeld maakt zich nuttig en slacht voor Hartmann op een gegeven moment enkele varkens. De Springersbrug met de kruidenierswinkel van Springer. De brug ligt nu in het Veenpark (foto; Provinciaal Archief) Landwacht en SS Frans Arling is de oudste zoon, geboren in 1934 en op de hoogte van het verhaal van de Grobfeld’s. Als de dag van gisteren kan hij zich nog een zeer spannend moment herinneren. Het is nazomer 1944 en hij elf jaar. Hij is die zaterdagmiddag thuis om op zijn jongere broers en zussen te passen. Moeder is met broer Herman boodschappen doen bij Willem Springer (13). Een viertal landwachten, een Nederlandse SS-er en de buurman staan voor de deur. Ze hebben hun overvalwagen aan de Postweg bij Lude Ollaid (bijnaam voor Aleida de Groot, 1ste huis rechts Berkenrode, GS) laten staan en zijn elk huis in de Berkenrode binnen gegaan om te vragen en te zoeken naar onderduikers. Gré Wubkes-Bruins weet dit nog. Bij Rolfes vinden ze niets, bij Suelmann niets en ook bij Bruins, het ouderlijk huis van Gré, niets. Wel zijn de soldaten bij Bruins op de hooizolder geweest en hebben de bult hooi helemaal over de kop gehaald. Dan door naar Nusse. Herman Nusse (1940) kan zich het moment nog voor de geest halen. Hij is met zijn oudere broers op het veldje bij huis aan het voetballen als de familie bezoekt krijgt van de landwachten. Het voetballen was ineens afgelopen en hij is als kleine jongen in huis ‘stilletjes’ erbij gaan zitten. Zijn oudere zus vertelde later dat vader Joop bedreigd en geslagen was om te praten. Nus Joop ontkent dat er ergens onderduikers zijn en onder bedreiging met het geweer gaat de groep met zijn zessen naar buurman Harm Arling. 3/9   Ga naar de volgende pagina