Perikelen rond de Josefkerk van Barger Compas Gerard Steenhuis, november 2017 De klus is geklaard, de vlag in de top, 1923 (bron; collectie GS) In het voorjaar van 2017 organiseerde de Historische Werkgroep Barger- Compascuum een culturele dag met als onderwerp de katholieke Sint Josephkerk. Oud plaatsgenoot Dr. Hetty Berens (2), hield een interessante en informatieve presentatie over de bouw en architectuur van ‘onze’ kerk. De ochtend was goed bezocht, ruim honderd geïnteresseerden waren aanwezig, onder wie veel Compascumers. Veel is verteld over de kerk. Niet alles!  Wat onder oud bestuursleden van de Sint Josephkerk en de parochie in Barger- Compascuum bekend is, maar wat zelden ter sprake komt, is onderstaande. Een voormalig lid van het kerkbestuur maakte me er attent op. De karakteristieke Sint Josephkerk en pastorie zijn onder pastoor Bernardus Theodorus Bergervoet ( ?-1950) in 1923 gebouwd (3). Architecten waren de broers Jos en Pierre Cuypers, zonen van de bekende architect Pierre Cuypers die werken als het Centraal Station en het Rijksmuseum in Amsterdam op naam heeft. Als aannemer trad op G. Ribberink uit Hengelo die samen met plaatselijke ondernemers zoals bouwbedrijf Lucas Lubbers de bouw realiseerde (4). Om de bouw te financieren en omdat onder de bevolking niet veel geld zat werden obligaties uitgegeven met de toepasselijke naam 'Compassertjes'. Een daartoe opgerichte NV. Administratiekantoor voor Kerkelijke Instellingen (met een directeur (!) op adres Nieuwe Plein 30 Arnhem) gaf obligaties uit met een nominale waarde van 10 gulden per stuk en een rente van 2 % in een looptijd van 75 jaar. Jaarlijks werden er premies getrokken. Het streven was om 500.000 gulden aan obligaties te drukken en natuurlijk uit te geven. Uiteindelijk werd het streefbedrag bij lange na niet gehaald en moest in afgeslankte vorm gebouwd worden. De kerk werd korter- een schip minder- en de toren kleiner. Pas bij de herbouw-verbouw in 1953 kreeg de kerk zijn beoogde grootte en werd de kerktoren vervangen door de huidige hogere toren. Het heeft tot ongeveer 1973 geduurd voordat een juiste toedracht in Barger- Compascuum bekend werd. In het dorp dacht men dat alles geordend en correct verlopen was. Niets was minder waar. In dat jaar gaf het accountantskantoor K. uit Oosterbeek aan te willen stoppen met het verzorgen van de administratie en samenstelling van de jaarrekeningen van NV. Administratiekantoor voor Kerkelijke Instellingen. Besloten is dat met onmiddellijke ingang de dagelijkse werkzaamheden van het administratiekantoor en het samenstellen van de jaarrekeningen zou gebeuren onder het beheer van het kerkbestuur, onder andere door Herman Engelbertink, oud onderwijzer op de katholieke school in het dorp en erg betrokken bij de parochie. Toen werd duidelijk wat de ware toedracht was. Door het kantoor werden wel premies getrokken op de obligatielening, maar zij werden niet uitgeloot. Door de notaris werd jaarlijks vastgesteld, middels trekking, op welke obligaties de premies waren gevallen. Heel af en toe werd de getrokken premie opgevraagd. Dat er nagenoeg nooit een premie werd opgevraagd kwam omdat maar een klein deel van de obligaties was geplaatst, maar ook omdat de niet geplaatste obligaties meededen bij de trekking. De opbrengt van de obligatielening werd gedeeltelijk aangewend voor de aankoop van aandelen en obligaties van andere bedrijven c.q. overheden. Waar is dat andere deel gebleven?  Niemand weet het. Weg! De kerktoren na de verbouwing in de zomer van 1953 (5).‘De toren als fraai silhouet van Barger Compascuum’ kopt de Emmer Courant van 8 augustus van dat jaar Direct na de oprichting ging het al mis. De opbrengsten bleven ver achter bij de verwachtingen, aldus het oud kerkbestuurslid, dat direct samenwerkte met meester Engelbertink. De administratie was verre van correct en de directie van de NV wist niet het verschil tussen 'het mijn' en 'het dijn'. De situatie sleepte zich voort tot omstreeks de Tweede Wereldoorlog. De directie van de NV maakte er een puinhoop van en de raad van commissarissen die toezicht moest houden greep niet in. Nooit controle en correctie. Alles kwam in de doofpot! Even na de Tweede Wereldoorlog heeft het bisdom Utrecht (daar viel de parochie toen onder) het accountantskantoor K. gevraagd de hele zaak uit te zoeken en voor zo ver mogelijk te ‘repareren’. Het grootste probleem bleek toen het vaststellen van de schuld aan de houders van de obligatielening. Op basis van de jaarlijkse couponrente en schattingen werd het bedrag van de uitgegeven obligaties vastgesteld op 75.000 gulden. Ook werd bepaald dat er op dat moment een verliessaldo op de balans van de NV moest worden vermeld van 40.000 - 50.000 gulden. Hieruit blijkt dat het streefbedrag van de lening op geen stukken na werd gehaald. 1/2   Ga naar de volgende pagina