Op de avond van 14 januari 1944 stort een Engels vliegtuig neer ter hoogte van dezelfde Lübbers. Het gevaarte komt neer op plaats 38-west op grond van boer Hendrik Hoving, tussen de Runde en de Westra’s wiekie. Het gezin van Flip Lindeman en Klaasje Kiers wil net aan tafel toen het gebeurde. Dochter Sientje (1938) ziet nog het gevaarte brandend honderd meter achter hun huis liggen. Zij wonen aan de Westra’s wijk oostzijde. Het vliegtuig is een Lancaster met typenummer DV 283. Sientje vertelt erover in de Dorpskant van Klazienaveen van 28 april 2017 (8). Grietje Engbes-Knorren (1936) kan zich dit voorval nog herinneren. Het was avond op dat moment en de lucht was helder verlicht. De familie Knorren woont aan de Westra’s wijk aan de westzijde en Grietje is acht jaar. Acht inzittenden zijn omgekomen en later begraven in Nieuw Dordrecht. Eén inzittende heeft het overleefd. Alex Walmsley is levend uit het vliegtuig gekomen. Hij blijft uit de handen van de Duitsers en ontvlucht Nederland via de ondergrondse. Normaal heeft een dergelijke vlucht acht bemanningsleden, dat wisten de Duitsers ook. Toen acht stoffelijke overschotten gevonden waren, stopte de bezetter met zoeken naar nog meer bemanningsleden. Dit is zijn geluk geweest. Wie heeft de man gevonden en helpen onderduiken en via wie is hij weer terecht gekomen in Engeland. Hier zit een verhaal achter ! Hendrik Kuhl en zijn vrienden gaan kijken en zien meerdere lichamen onder kleden liggen. Duitsers houden wacht en voeren uiteindelijk de lijken af. Ook Geert Hartmann (1931) is wezen kijken. Hij woont dan in de Berkenrode. Brokstukken van het vliegtuig liggen her en der in het veld. Bertus Nusse is in het begin van de oorlog nog een baby als hij aangeschoten wordt. Hij verliest een deel van zijn hand door een verdwaalde kogel die hem in zijn kinderbedje raakt. Wat een angstig moment voor de familie en wat een geluk dat hij nog leeft. De familie Nusse woont op dat moment in de Berkenrode. De buurkinderen Theun van Zanden, Truus Pragt (9) en drie meisjes van Boerland maken een rijtje om de fotograaf zijn werk te laten doen. Het gezin van kommies Jan Remmelt van Zanden woont op Verlengde Oosterdiep oz 106. Ten noorden van hen woont het gezin van smid Hendrik Pragt, andere kant kapper Lux Ronde en het huis verderop is de winkel en café van Hendrik Boerland (foto; Theun van Zanden)   Beeld uit de oorlog. In die jaren is de vraag naar turf groot. Het nog resterende veen in Barger- Compascuum wordt in hoog tempo afgegraven. Zo ook het bovenveen tussen het Verlengde Oosterdiep en de Limietweg. Bertha, Annemarie en Hugo Jansen staan hier tussen de turfbulten (foto; Netty Eilering) De ouders van Annie Eilering-Bols zijn op bezoek bij hun dochter. Vlnr; vader Jan Harm Bols, moeder Anna Maria Bols- Gerdes, Annie Eilering-Bols met zoon op de arm en onbekend. Op de achtergrond staat de katholieke Sint Josephkerk met de kleine toren. Links is nog een puntje van het dak te zien van de bakkerij van Eilering. Rechts is de voorgevel van het brughuis, dat bewoond wordt door de melkboer De Jonge. Later woont hier groenteboer Geert Bernsen (foto; Netty Eilering) Foto uit 1944. Annie Bols en Jan Eilering met de kinderen Netty, Hans en Annemieke met op de achtergrond de St. Theresiaschool (foto; Netty Eilering) Op de bon en schaarste In de latere oorlogsjaren komt veel op de bon, ontstaat er schaarste en grote hongersnood in de steden. Meerdere onderduikers zijn ondergebracht in Barger- Compascuum. In het laatste jaar komen veel westerlingen eten halen. Veel gezinnen vangen jonge kinderen uit de steden op als evacué (10). Gré Wübkes-Bruins (1931): ‘Mijn grootouders Rolfes (Borchert) woonden ter hoogte van de hervormde kerk aan deze kant (west, GS) van het Oosterdiep. Ze hadden het gezin van hun dochter Anne met Theo Braak in huis opgenomen. Theo en Annie hadden een melkzaak in Haarlem, maar door schaarste in het westen van het land waren ze tijdelijk verhuisd naar Drenthe. Zoon Jan Braak is hier nog naar school geweest. Op een keer was Theo Braak, samen met een familielid, weer eens op de fiets naar Barger- Compascuum gekomen om aardappelen te halen. Zij bezochten ook mijn ouders: de familie Bruins-Rolfes. De avond ervoor hadden we: vader, broer Hinnek en ik met de hand (met de koffiemolen) tarwe gemalen en deeg gekneed. Moeder deed het deeg de volgende morgen in de kachel om het even later als gebakken brood op tafel neer te leggen. Als dan het brood werd aangesneden, was het feest voor de westerlingen. Gulzig en met veel smaak werd ‘de stoete’ opgegeten. In de Maatschappij (11) was bij de familie Harm Rolfes een onderduiker. Hij heette Joeke Grobfeld. Hij kreeg als schuilnaam Jan Robben, genoemd naar een familie die naar Limburg was verhuisd. Op een gegeven moment was er een razzia in de Maatschappij en werd Joeke opgepakt. Zijn vader Job Grobfeld is na de oorlog nog vaak bij ons geweest. Hij handelde in vee, evenals mijn man Harm’. Tot zover Gré Wübkes (12). 2/9   Ga naar de volgende pagina